Werken de centrale banken volgens een fractioneel goud systeem?

18. december 2010 door Goud Expert

Een van de minst bekende wereldwijde financiële instellingen is de Bank for International Settlements (BIS) gevestigd in Basel, Zwitserland. De BIS is opgericht in 1930 toen de goudstandaard nog van kracht was. De BIS wordt ook wel de bank der banken genoemd. Via de BIS konden centrale banken onderlinge goudtransacties laten lopen zonder dat er daadwerkelijk fysiek goud verplaatst hoefde te worden. Uit onderzoek van Alasdair Macleod blijkt nu dat de BIS waarschijnlijk ook voor de fysieke goudvoorraden werkt op basis van een fractioneel bank systeem. Dat wil zeggen dat er op papier meer goud is in de administratie van de BIS dan fysiek daadwerkelijk aanwezig is.

De BIS biedt de centrale banken 2 soorten goudrekeningen aan: ‘earmarked’ en ‘sight’. Voor de ‘earmarked’ rekeningen is het fysieke goud apart gezet t.b.v. de centrale bank. Voor de  ‘sight’ rekeningen geldt dit niet en dient een gemeenschappelijke hoeveelheid goud van meerdere rekeningen als tegenwaarde voor de ‘sight’ rekening.  Dit is dus hetzelfde verschil als de niet-gealloceerde en gealloceerde goudrekeningen die diverse banken aanbieden. Alleen gealloceerde goudrekeningen bieden een garantie dat het fysieke goud dat het representeert apart is gezet voor de klant. Het daadwerkelijke fysieke goud dat de BIS beheerd, is ondergebracht bij diverse centrale banken die deze dienst aan de BIS verlenen.
Vandaag de dag biedt de BIS nog steeds dezelfde diensten aan de centrale banken. Op het eerste gezicht zou men verwachten dat het merendeel van de centrale banken gebruik maken van de ‘earmarked’ (gealloceerde) rekeningen omdat het fysieke goud dan daadwerkelijk apart geadministreerd en bewaard wordt. Het tegendeel is het geval. Uit de jaarcijfers 2009/2010 van de BIS blijkt dat slechts 212 ton goud als earmarked is geregistreerd en 1.704 ton goud als  ‘sight’. Dus 90% van het goud dat de centrale banken hebben ondergebracht bij de BIS bestaat uit niet-gealloceerd goud. Verder blijkt dat het fysieke goud dat op de locaties van de centrale banken in naam v.d. BIS zijn opgeslagen ook in de vorm van ‘sight’ accounts zijn geadministreerd. Dit bewijst dus dat ook centrale banken zelf ook met niet-gealloceerde rekeningen werken.

Samenvattend kunnen we dus stellen dat 90% van de 1,912 ton goud van de BIS is ondergebracht in niet-gealloceerde rekeningen. Alhoewel dit goud technisch direct leverbaar moet zijn aan de rekeninghouders (de centrale banken) er is niet een daadwerkelijke verplichting dat het goud daadwerkelijk aanwezig moet zijn. Het is daarom aannemelijk dat slechts een zeer klein deel van het goud van de ‘sight’ accounts in fysieke vorm aanwezig is en dat de rest aan andere klanten is overgedragen of uitgeleend. Dit is namelijk hetgeen banken al sinds mensenheugenis doen en het centrale business model van alle banken de laatste 1000 jaar. Banken houden slechts een zeer klein deel van de ingelegde tegoeden aan en lenen de rest meerdere malen uit. De officiële term hiervoor is  fractioneel bankieren.

De verleiding om het goud uit de niet-gealloceerde rekeningen voor andere doeleinden te gebruiken is de afgelopen 30 jaar is zeer groot geweest. In combinatie met de wens van de centrale banken om goud in diskrediet te brengen en het niet meer uitvoeren van audits op de goudvoorraden, is het zeer eenvoudig om de totale goudvoorraad groter te laten lijken dan die daadwerkelijk is door hetzelfde goud meerdere malen te verkopen. We moeten ons afvragen of de 200 ton goud die de centrale bank van India heeft gekocht van het IMF (beide BIS rekeninghouders), daadwerkelijk in fysiek goud is geleverd aan India en naar India is verscheept, of dat dit uitsluitend een boekhoudkundige handeling van de BIS is geweest en dat India op papier wel 200 ton heeft gekocht maar niet in fysieke vorm.

Links:

 

Goudmarkt , , , ,